Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0181

Datum uitspraak2006-10-06
Datum gepubliceerd2006-10-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/4748 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzet ongegrond. Griffierecht niet tijdig betaald.


Uitspraak

05/4748 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 april 2005, 04/6103 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna Uwv). Datum uitspraak: 6 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 3 maart 2006 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen voornoemde uitspraak van de Raad heeft appellant verzet gedaan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2006, waar appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door S. Kourbali. Het Uwv was - met voorafgaand bericht - niet vertegenwoordigd. II. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 3 maart 2006 berust hierop, dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald. In het verzetschrift heeft appellant aangegeven dat hij niet in staat is geweest het griffierecht te betalen, aangezien hij in september 2005 in het ziekenhuis was opgenomen voor een beenoperatie. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij direct na zijn aankomst in Nederland op 3 oktober 2005 telefonisch contact heeft gehad met de Raad maar dat hij te horen heeft gekregen dat hij inmiddels te laat was met de betaling van het griffierecht en dat het niet meer mogelijk was te betalen. De Raad stelt vast dat appellant in verzet niets heeft aangevoerd dat kan dienen als verontschuldiging voor het niet binnen de gestelde termijn hebben betaald van het griffierecht. De Raad overweegt daartoe dat het op de weg van appellant had gelegen afdoende maatregelen te treffen om de afhandeling van (belangrijke) poststukken tijdens zijn ziekenhuisopname mogelijk te maken. De Raad weegt daarbij mee dat appellant ter zitting heeft aangegeven dat hij bij aankomst in Nederland geen geld had om het griffierecht te voldoen. Gelet hierop kan worden daargelaten wat volgens appellant is besproken tijdens het telefoongesprek met een medewerker van de Raad, van welk gesprek overigens geen notitie is te vinden in het dossier. Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2006. (get.) J. Janssen. (get.) D.W.M. Kaldenhoven. MK